Als vijf professionals hetzelfde kind bespreken, hebben we dan vijf keer meer zicht op het kind?

Rond een kind kunnen in korte tijd behoorlijk veel volwassenen betrokken raken. Een leerkracht bespreekt wat opvalt met een intern begeleider, ouders worden gesproken, een zorgteam kijkt mee, er wordt iemand vanuit jeugdhulp betrokken of er volgt onderzoek. Er ontstaan gespreksverslagen, observaties, overdrachten, plannen en dossiers waarin informatie wordt vastgelegd, zodat de volgende professional weet wat er speelt en niet iedere keer opnieuw hoeft te beginnen.

Daar zit een vanzelfsprekendheid onder die ik interessant vind. Wanneer meerdere professionals naar hetzelfde kind kijken en vergelijkbare dingen teruggeven, ervaren we dat gemakkelijk als meer zekerheid. De informatie lijkt steviger te worden doordat verschillende mensen hetzelfde lijken te zien.

Maar hebben al die mensen daadwerkelijk hetzelfde gezien?
Of zijn zij voor een deel naar hetzelfde gaan kijken vanuit informatie die al over het kind bestond?

Dat verschil is belangrijker dan het op het eerste gezicht lijkt, omdat professionele informatie zich niet iedere keer opnieuw vanaf nul vormt. De tweede professional weet vaak al wat de eerste heeft gezien of geconcludeerd. De derde leest een verslag waarin eerdere bevindingen zijn opgenomen. Tijdens een overleg wordt verteld wat er speelt en bij een overdracht gaat bestaande informatie mee naar degene die het kind vervolgens gaat begeleiden of onderzoeken.

Daarmee reist niet alleen de waarneming mee. Ook de interpretatie kan meereizen.

Een kind zegt tijdens een gesprek weinig en kijkt regelmatig naar beneden. Dat is waarneembaar. De conclusie dat het kind onzeker is, is van een andere orde. Die conclusie kan heel aannemelijk zijn en uiteindelijk zelfs blijken te kloppen, maar op het moment waarop zij wordt getrokken, blijft het een betekenis die een volwassene geeft aan wat zichtbaar is geworden.

Zodra vervolgens in een verslag staat dat het kind onzeker is in contact, krijgt de volgende professional andere informatie binnen dan wanneer er had gestaan dat het kind tijdens het gesprek weinig antwoordde en regelmatig naar beneden keek. In de eerste formulering is de betekenis al gegeven. In de tweede staat beschreven wat iemand daadwerkelijk heeft waargenomen.

Dat onderscheid lijkt eenvoudig zolang de voorbeelden eenvoudig blijven. In echte dossiers en overleggen loopt het veel gemakkelijker door elkaar. Een kind reageert afhoudend. Een kind zoekt controle. Een kind vermijdt contact. Een kind kan moeilijk omgaan met veranderingen. Een kind heeft behoefte aan voorspelbaarheid. Een kind laat oppositioneel gedrag zien. Een kind is onvoldoende gemotiveerd.

Zulke formuleringen kunnen zo vertrouwd raken dat nauwelijks nog zichtbaar is hoeveel interpretatie erin zit.

Vervolgens gebeurt er iets wat ik veel interessanter vind dan de vraag of één afzonderlijke interpretatie juist of onjuist is. De formulering gaat verder.

Een volgende professional leest haar, neemt haar mee in een gesprek en ziet vervolgens zelf dat het kind weinig zegt. Dat past bij wat al bekend was. Tijdens een volgend overleg wordt verteld dat ook deze professional de onzekerheid herkent. Iemand anders merkt op dat het kind in een andere situatie eveneens terughoudend reageerde en daarmee lijkt de eerdere conclusie opnieuw bevestigd.

Na verloop van tijd staat er niet langer één waarneming naast één interpretatie. Er ligt een reeks bevindingen die allemaal in dezelfde richting lijken te wijzen.

Maar hoeveel daarvan zijn onafhankelijk van elkaar ontstaan?

Dat is een vraag die binnen professionele systemen veel belangrijker is dan zij nu vaak wordt behandeld.

Wanneer vijf mensen ieder onafhankelijk iets waarnemen en daarna tot een vergelijkbare interpretatie komen, levert dat andere informatie op dan wanneer vier mensen verder kijken vanuit de interpretatie die door de eerste al is meegegeven. Op papier kan het resultaat bijna hetzelfde lijken. In beide gevallen zijn er meerdere professionals die dezelfde conclusie onderschrijven. De weg waarlangs die overeenstemming is ontstaan, is echter totaal verschillend.

Daar komt bij dat professionele taal de neiging heeft om gaandeweg stelliger te worden. Een concrete beschrijving kan in een volgend verslag worden samengevat, waarna die samenvatting opnieuw als informatie wordt gebruikt. Wat begon met "antwoordde tijdens het gesprek nauwelijks op vragen" kan veranderen in "is terughoudend in contact", vervolgens in "ervaart spanning in sociale situaties" en uiteindelijk terechtkomen in een beschrijving waarin sociale onzekerheid als een eigenschap van het kind wordt genoemd.

Op dat moment is moeilijk terug te zien waar de oorspronkelijke waarneming ophield en waar de betekenisgeving begon.

Dat vind ik geen taalkundig detail.

De woorden die in een dossier terechtkomen, bepalen mede vanuit welke positie een volgende volwassene naar een kind kijkt. Wie vooraf leest dat een kind weerstand laat zien, stapt anders een gesprek in dan iemand die alleen weet dat het kind bij drie eerdere afspraken nauwelijks antwoord gaf. Wie leest dat ouders moeite hebben met grenzen stellen, krijgt al een interpretatiekader mee voordat hij die ouders zelf gesproken heeft. Wie hoort dat een leerling ongemotiveerd is, kijkt vanuit andere informatie naar een kind dat zijn schrift dichtlaat dan iemand die alleen de concrete situatie kent.

Daarmee kan interpretatie zich gaan opstapelen zonder dat er op ieder volgend moment werkelijk nieuwe informatie bijkomt.

Binnen de Neoleer maak ik daarom nadrukkelijk onderscheid tussen lichamelijke expressie en de secundaire interpretatie die daarop volgt. Wat een volwassene ziet, krijgt betekenis vanuit het perspectief van die volwassene. Vanuit die betekenis wordt vervolgens gehandeld. Juist dat laatste maakt de interpretatie zo belangrijk, want zij blijft niet in een verslag of in het hoofd van degene die haar heeft gevormd.

Een interpretatie gaat iets dóén.

Wanneer een kind als onzeker wordt gezien, kan het vaker worden gerustgesteld, voorbereid of beschermd. Wanneer een kind als vermijdend wordt gezien, kan meer worden ingezet op aangaan en volhouden. Wanneer gedrag wordt geïnterpreteerd als een behoefte aan duidelijkheid, kan de omgeving meer gaan structureren. Wanneer een kind wordt gezien als onvoldoende gemotiveerd, kunnen gesprekken steeds nadrukkelijker over inzet en verantwoordelijkheid gaan.

Daarmee verandert ook wat het kind vervolgens meemaakt.

De interpretatie van volwassenen krijgt dus een plaats in de situatie waarop het kind opnieuw reageert. Die nieuwe reactie kan vervolgens weer worden waargenomen en opnieuw worden geïnterpreteerd. Wanneer het kind na herhaalde gesprekken nog minder wil praten, kan dat worden gezien als verdere bevestiging van terughoudendheid. Wanneer het zich verzet tegen begeleiding, kan dat passen binnen de eerdere beschrijving van weerstand. Wanneer een kind steeds meer spanning laat zien rondom een bepaald moment, kan de aandacht opnieuw vooral uitgaan naar wat die spanning volgens volwassenen over het kind zegt.

Zo kan een professioneel beeld steeds steviger worden terwijl dat beeld voor een deel mede gevormd is door wat volwassenen eerder hebben gedacht, gedaan en vervolgens opnieuw hebben waargenomen.

Daarom vind ik het te eenvoudig om bij complexe situaties vooral méér mensen te laten meekijken en vervolgens aan te nemen dat daarmee vanzelf meer zicht op het kind ontstaat.

Meer professionals betekent meer kennisgebieden, meer ervaring en meer mogelijkheden om iets op te merken. Het betekent niet automatisch dat iedere professional met een leeg vel begint.

Juist binnen multidisciplinair werken zou daarom veel scherper onderscheid gemaakt kunnen worden tussen verschillende soorten informatie. Wat hebben we daadwerkelijk waargenomen? Welke betekenis hebben we daaraan gegeven? Welke interpretatie komt uit een eerder verslag? Wat heeft iemand zelf opnieuw vastgesteld? En welke handelingen zijn vervolgens vanuit die interpretaties ingezet?

Dat vraagt meer dan boven een dossier zetten dat feiten en meningen van elkaar moeten worden onderscheiden. Het vraagt dat we tijdens het hele proces blijven zien wanneer een beschrijving van een situatie ongemerkt verandert in een beschrijving van het kind.

"Tijdens drie ochtenden kwam hij na de pauze niet terug naar de klas" is iets anders dan "hij vermijdt moeilijke situaties".

"Zij gaf tijdens het gesprek geen antwoord op vragen over school" is iets anders dan "zij wil niet over school praten".

"Hij begon te huilen toen werd gezegd dat hij de volgende ochtend twee uur naar school zou gaan" is iets anders dan "hij is bang om naar school te gaan".

De tweede formulering kan uiteindelijk juist blijken. Het probleem ontstaat wanneer we vergeten dat er tussen beide formuleringen een denkstap heeft plaatsgevonden.

Want juist die denkstap bepaalt vaak wat daarna gebeurt.

Dat raakt ook aan de positie van het kind binnen een dossier. Naarmate interpretaties vaker worden herhaald, kunnen zij steeds meer gaan klinken als eigenschappen die bij het kind horen. Een reactie die in een bepaalde situatie is waargenomen, verschuift dan langzaam naar een beschrijving van wie het kind is. Terughoudend. Angstig. Vermijdend. Moeilijk bereikbaar. Controlerend. Onvoldoende gemotiveerd.

Het dossier krijgt daarmee steeds meer samenhang. Het kind steeds minder ruimte om in een volgende situatie iets anders te laten zien zonder dat ook dat vanuit het bestaande beeld wordt begrepen.

Dat is precies waarom vijf professionals rond één tafel mij op zichzelf nog niet overtuigen dat er vijf keer zoveel zicht op een kind is ontstaan.

De werkelijke waarde van meerdere perspectieven ontstaat pas wanneer die perspectieven ook werkelijk ruimte krijgen om verschillend te zijn en wanneer een eerdere interpretatie niet ongemerkt het vertrekpunt wordt van iedere volgende blik.

Voor organisaties ligt daar naar mijn idee een veel grotere opdracht dan alleen multidisciplinair samenwerken.
Wie werkelijk zorgvuldig naar kinderen wil kijken, moet in de eigen informatieketen kunnen terugvinden waar waarneming ophoudt, waar interpretatie begint, welke interpretaties zijn overgenomen en wat vervolgens vanuit die interpretaties is gedaan.

Anders kan een systeem steeds meer over een kind weten en tegelijkertijd steeds minder goed kunnen aanwijzen waarop dat weten eigenlijk is gebaseerd.

Vijf professionals kunnen samen veel meer zien dan één.
Maar vijf keer dezelfde interpretatie blijft één interpretatie.

Vijf professionals kunnen samen veel meer zien dan één.

Maar vijf keer dezelfde interpretatie blijft één interpretatie.

Daniëlle Roumen